Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 133 )

zen wordt, aan braave, vlijtige, werkzaame menfchen; en voor fchande, als eene ftraf, den luiaart, die zich met eens andrens brood voedt, opgelegd; en dat als dan den vlijtigen , de behoorlijke eer bewezen worde, en den luiaart de gepaste fchande en oneer wedervaare.

Dus vinden wij ons van zelf geleid, tot nadenken, hoe eene edele eerzucht bij den minvermogenden te ontfteeken , en te onderhouden.

Wijl onderwijs, verlichting en opvoeding, als de laatfte middelen ter bevordering van werkzaamheid, even zeer betrekking' hebben op de eerzucht; zo zullen wij, om in geene noodelooze herhaaling, die in zulk eene Verhandeling zo bezwaarlijk te vermijden is, te vervallen, het behandelen dier onderwerpen uitfte'len, tot dat wij eerst, gelijk de andre ftellige middelen tot ijver, alzo ook, die tot eerzucht, kortelïjk nagegaan hebben.

1. De eerzucht bij den minvermogenden te wijzigen tot het edel einde, dat zij hen tot een edel braaf gedrag aanfpoore, zou minder zorg en moeite vorderen, indien niet ftaatkunde, weelde en zedenloosheid, den weg vrij wat onbruikbaar hadden gemaakt. Dan, bij fommigen is de eer, de achting van 't algemeen, een harfenfchim, naar andrens meening, hecht zij alleen op tijdelijke voordeden. 'Er is dus meerder zorge nodig, om de vooröordeelen te verdrijven, en het waare gevoel van edele eer optewekkcn. Denkt misfchien iemand zo ongunftig, over I 3 de

Sluiten