Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 69 )

ter in Frankrijk, die over procesfen gemeenm met de dobbelfteenen uitfpraak deed. De Heidenfche volken , vooral in het Oosten , zijn groote liefhebbers van het Lot te vraagen; wanneer'er iets van belang moet uitgevoerd worden , fteeken zij drie pijlen m lm koker : op de eene Haan de woorden: Mijn Heer heeft mij gelast; op de andere : Mijn Heer heeft mij verboden; en op de deide is in het geheel mets gefchreeven. Als deeze laatfte getrokken word, fteekt_ men hem weêr in de kooker en begint op nieuw, tot zoo lang men een der befchreevene trekt , en naar aanwijzing van die pijlen word het werk ondernomen of uitgelteld ; sii kunt daar van iets vinden in het boelc van ezkchi el, Hoofdft. XXI. vs. ai.

Zommige Christenen handelen even onbetamelijk : zij laaten den Bijbel openvallen, om,bij den eerften regel, dien zij in het oog kriipen, te zien wat zij te doen. hebben ; ot zij trekken fpreuken, uit daar toe gemaakte kastjens, terwijl andere met de dobbelfteenen werpen, of de knoopen van bunnen rok tellen.

hf nd 'Er zin evenwel in de oude dacen 'groote dingen door het lot ontdekt : want uit het gantfche volk van Israël wierd de rover der verboden goederen daar door aangewezen («). Ook ftaat 'er gefchreeven: Het lot wordt in den fchoot geworpen, maar het beleid daar van is van den Heere(b).

c o e d h Uit beide blijkt, dat God machtig

(a) Boek van josua, Hoofdft. VII.

Q) Spreuken van s alom o, Hoofdft. XVI. vs. 33.

Sluiten