Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 98 )

onkunde, ter aarde befleld had , voor dat zij nog werkelijk geftorven waren. Kunt gij u, onder alle menfchelijke ellenden wel een akeliger lot verbeelden? Wiefchetstnaar waarde den allerrampzaligften toeftand van zulk een Levend begravenen\ Uiteen flaamvtc ontwaakt-, onbewust van al het gebeurde, zich nog op het krankbedwaanende,ftrekt hij zijne armen uit, om de hulp zijner vrienden te vraagen, en vind zich — leevend in het verblijf des doods! De uitboezeming der dankbaarheid, op zijne lippen gefmoord , verandert in de naarfte jammerklagt, in de ijsfelijkfte woede en vervloeking tegen het menschdom , dat hem onbarmhartig uit deszelfs midden had verHoor. Alle infpanning van bovenmenfchelijke pogingen is ijdel; gebrek aan lucht doet de tong verdommen, den arm verlammen, en gelukkig, zoo de gewenschte dood aan het vrugtloos uitgerekt leeven een fpoedig einde maakt.

jac. Zouden 'er zulke fchrikkelijke gevallen gebeurd zijn?

goedh. Denkt niet dat ik te veel zegge: men heeft lijken opgegraven, die, met nagels en tanden, fplinters van hunne kisten 'gefcheurd, en door wanhoop zich eindelijk de aderen afgebeten hadden. Sommige te vroeg begravenen zijn gered, en hebben nog lang daar nageleefd; anderen heeft men in het graf hooren kloppen, en het domme bijgeloof heeft hen aan hun erbarmlijk lot overgelaaten. Wanneer u ooit zulk een geval mogt voorkomen, al vermoede gij het ook maar, rust dan niet, mijn lieve vrienden ! voor gij het aan óm

dag

Sluiten