Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 106 )

goedh. Het word ook van niemand gevergd ,zich alleen tegen eene menigte booswichten te waagen; 'er zijn ook wel treurige voorbeelden van menfehen, die hunne ftoutmoedigheid met hun leven geboet hebben, en van andere, die daar door op den rand van het graf gebracht zijn. Maar wanneer het man tegen man is, moet men 'er ook maar gerust op aanvallen. Zoo verloste eens fr.eder.iic augustus, Keurvorst van Saxen, den Keizer josEPHvan een fpook, dat hem alle nachten ontruste, hem dreigende en waarfchouwende.om de verkeering met den Keurvorst aftebreeken , om dat zij in geloofsbelijdenis verfchilden. De Vorst verzocht eindelijk eens bij den Keizer te waaken. Het fpook kwam, volgens gewoonte, vreeslijk rammelende met ketenen, en begon wederom te roepen: josephus, Koomsch Koning*, maar freoerik pakte het, voor dat het nog uitgepraat had , en wierp het, hoe zeer het ook om genade bad, van boven het venglter uit; het fpook had wel vleesch en been: want bij het vallen hoorde hij de. ribben kraken ; het is naderhand ook nooit weêr verfchenen.

ii F nd. Maar waarom zaaken van dien aart te onderzoeken, zonder eenig nuttigoogmerk?

goedh. Dat zou vermetel zijn. Wanneer men zich ook ongeroepen in gevaar begeeft , is het hart nooit zoo rustig; men fchrikt ligter, en fchrik kan gevaarlijk ja doodelijk zijn. Een man beroemde zich, dat hij onverfchrokken 's nachts in een grafkelder gaan wilde, en, tot bewijs dat hij daar

Se.

Sluiten