Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

122 de Christelijke zagtmoedïgheid

mensch aangaat, om nog door hoogmoedige inbeelding op zijn eigen ware of vermeende verdiensten , nog door ftoute opdringing van zig zelf, nog door oneerbiedige logchening van de verdiensten van anderen, nog door onvriendelijke ruwheid aan iemand ergernis te geven hij wil niemand lastig vallen ; aan niemand weigeren, 't geen hij hem geven kan ; niemands verftand, of deugd verkleinen; niemands gebreken vergroten ; niemands voor-

regten benadeelen hij wil met alles wat

hij heeft, menfchen dienen ; en zijne woorden en daden zo inrigten, dat het ten duidelijkften blijkt, hoe hij zagtmoedigheid bewijst

tegen alle menfchen. (f) En zie daar hij

geeft aan armen , en aan rijken, aan aanzienlijken en geringen, aan heeren cn aan knegten, aan vrijen en aan dienstbaren, aan leeraars en aan leerlingen, aan de overheden en aan het volk, aan ouden cn aan jongen —« ^aan allen, die met hem omgaan, die met hem

*fh eenige verbintenis ftaan hij geeft hun

allen, 't geen hun toekomt, 't geen zij met reden van hem vorderen kunnen hij beledigt niemand — hij verwekt bij niemand gegrondde ergernis — zijn gedrag is niet ingerigt, om iemand tot regtmatigen toon te vervoeren.

Hij

(t) Tit: III: o.

Sluiten