Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

188 geeft de geschiedenis van den

ze, verzwakte ziel, met een hart, dat woest en ledig is van allen opregten ernst naar bekeering , en waarin de natuurlijke af kcerigheid, door ligtzinnige , talloze verwerpingen der waarheid , op eene onuitdrukbare wijze vermeerderd is geworden — zullen zij ze nu hooren zullen zij nu raakbaar zijn door de

beminnelijke en kragtige drangredenen tot geloof, en deugd '? Hoe weinig kent hij den mensch, die zig dit wijsmaakt.

De bekeerde Misdadiger had vrijheid van geest, om in het midden zijner fiekende fmarten aan de belangen van zijnen onfterfelijken

geest te denken. Maar hebben dit alle

kranken ? Kan iemand onzer zig dit onfchatbaar voorregt beloven ? Kunnen wij over den aart der ziekte, die ons in het graf zal liepen, willekeurige hertelling maken ? ■— Eene koude trilling bevangt mij T., als ik mij in de verbeelding plaarfe bij die fterfbedden, waarop ik ongelukkigen zag zieltogen , gefchokt door ftuiptrekkingen, beroerd door bedwelmingen, verhit door ijlhoofdigmakende koortfen, of neergedompeld in gevoelloosheid, tot bezwijking toe afgemarteld door langduurige benauwende ziekten, en in onmogelijkheid gebragt, om op eene bedaarde redelijke wijze met hun verftand te werken — ach! zij waren op het

punt

Sluiten