Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

238 de groote goedertïerenh. van GoD

uwer medemenfehen zijt. Ach! denk aan deledigheid, die er in uw ziel is, bij al uw genot -— denk aan het naberouw , dat alle uwe genietingen verbittert denk aan de onheilen , die gij uwzelf brouwt —- denk aan de vergeldende eeuwigheid denk aan de ontzaggelijke rekenfehap, welke gij eens zult moeten afleggen aan Hem, die van God is aangefteld tot een Rigter van levendigen en doden denk aan de fchrikken, de vertwijfelde fchrikken der verdoemenis, die , indien gij u niet bekeert van uwe dwaasheid,en godloosheid, uw hart doorbooren zullen, omdat gij gevoelen zult, dat gij het nietigst fchijngegeluk gezogt hebt op deze waereld, en de waa-

re gelukzaligheid van de hand gewezen ,

denk dit na, en laat uw hart dan antwoorden ' op de gewigtige vraag. „ Wat vrugt heb ik „ er van, met tegen God te zondigen."

God te dienen is de hoogfte zaligheid.

Duizendmaal T. is het gezegd van mij, van uwe vorige Leeraars, die reeds in het ftof rusten ; het kan niet te veel gezegd worden; ik moet het u geduuriglijk herzeggen, want de verblinde mensch gelooft het niet. En warom gelooft hij het niet ? Is het dan zoo lastig God te dienen ? Zijn Gods geboden dan de geboden van een Dwingeland, die vermaak

fchept

Sluiten