Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\

242 de groote goedertierenh. van GOD

den van zijn ligchaam kon bewegen , naar zijnen wil, zonder dat hij nogthans eenige moeielijke poging daartoe in het werk behoefde te

Hellen toen hij zag de fchoone, de

heerlijke aarde , zoo vol leven en beweging — zoo vervuld met allerlei voortbrengfelen, gefchikt voor alle zijne zintuigen , voor alle zijne behoeftigheden — en toen hij gewaar wierd, dat hij Heer van alle deze fchepfelen was, dat hij ze ko'n , en mogt gebruiken, tot het geen hij wilde. Hoe zal hij God als Vader gedankt hebben! hoe zal hij de waarde van zijn beftaan, de waarde van alle zijne kragten in het diepst der ziel gevoeld hebben! hoe vrolijk, hoe blijgeeftig, hoe verrukt zal hij het bekoorlijk Paradijs doorwandeld hebben, daar hij in alles wat

hij zag, en hoorde, en gewaar wierd, zag

hoorde en gewaar wierd „ God is

„ Liefde !! "

Adam is van God gefchapen, wij ook T. — Adam zou nimmer geweest zijn, nimmer een voet in het Paradijs gezet, nimmer aan God gedagt, nimmer Gods nabijheid gevoeld, nimmer zijn hart kinderlijk tot God verheven,

nimmer God verlaten hebben nimmer had

hij de Stamvader van een aanzienlijk deel van Gods redelijke fchepfelen kunnen zijn, indien de magtige Liefde van den grooten Schepper

hem

Sluiten