Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

248 de groote goedertierenh. van GoD

zelve vinden tot lof van Gods onbegrijpelijke

Liefde. Wij zien. Hoe wonderlijk! In

ons klein oog fpiegelt zig de waereld. Wij kunnen kleine en groote dingen zien, een berg en een zandkorrel. Hetzelfde oog vervolgt de dwaalfterren in hunnen loop, en gaat de innerlijke gefteldheid van een wormpjen na, dat wij met ons ongewapend oog niet ontdekken kunnen. Ons oog is duister, het moet verlicht worden, het ontfangt lichtftralen in onberekenbare verfchcidenheid, en kaatst ze terug. Wie vormde ons oog zo ? Wie gaf het die vatbaarheid voor de ontelbaarfte afwisfelingen des lichts, voor het heldergloeiend licht van de middagzon , voor de laatfte zwakke fchemerftralen van den avond ? Wie gaf aan onze gezigtzenuwen die gefteldheid, dat zij naaide kragt des indringenden lichts millioenenmalen in éénen dag zig fchikken ? O God! wie anders dan gij. Ik loof u o Heere 1 want gij zijt goed. . Wij hooren. Hoe wonderlijk ! De toonen der Natuur en der kunst, door een golvenden ftroom van lucht tot ons oor gebragt, worden daar opgevangen, gewijzigd , en door een krommen buis van Goddelijke uitvinding tot onze ziel gevoerd, alwaar zij eene talloze mengeling van de alleryerfchillendftebegrippen,en aandoeningen verwekken. Wie vormde ons oor zo wonderlijk,

dat

Sluiten