Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

258 DE GROOTE GOEDERTIERENS". VAN GOD

overblijffels, die te diep in onze natuur lig-1 gen, die te nauw met onze menschheid zijn ver- ■ eenigd, dan dat wij dezelve alleen aan onze op-! voedingen den invloed der wetten zouden te: danken hebben. God heeft ons bij het bezit; derzelver bewaard God heeft niet toegelaten , dat het befmettend vergift der boosheid!

dezelve geheel zou wegvreten God heeft;

gezorgd, dat de dagelijks toenemende verflim-mering der zeden deze heilige resten van on-. ze gelijkvormigheid aan hem niet vernietigd!

heeft en hoe weldadig ! hoe weldadig is;

deze zorg van God i Wat waren wij, wat was: het menschdom G. indien hij dit niet gedaan: had? Wat waren wij, indien hij toegelaten: had, dat wij, van alle zedelijkheid beroofd,, aan de dieren gelijk, geen gevoel van regt en onregt hadden ? De ellende, die nu de zonde; op de waereld heeft geftigt, en nog dagelijks: ftigt, was zaligheid, hemelfche zaligheid, vergeleken bij die ellende, die dan over het drie-J maalrampzalig menschdom heerfchen zou. Ver-j| heugen wij ons dan hierover M. V. ja! hier-1

over ! o ! roert er zig in uw hart eene be-1

weging van regt of deugd, eene kleine zagtel aandoening van menfchelijkheid, bidt God dat | hij ze beware , kweekt ze aan, verflikt ze niet,:l zuivert ze, verhoogt ze, denkt dat ze u eene [ herinnering eene aanfporing is, om aan uwe

be-f

Sluiten