Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

328 DE HEERLIJKHEID VAN GODS LlEEDB

len. Gij zoudt het zelfs toeftemmen T., indien gij maar onbevooroordeeld de waarheid zogt, en u flegts gewend had, om in alle dingen uw gezond menfchen verftand te raadple§en« —- Daarenboven. Indien wij kinderen zijn,zijn wij ook erfgenamen, zegtPaulus (f) en hij wist buiten twijfel zeer wel, wat er toe behoorde ; nu , zijn allen , die weeten dat God

in het Euangelie zig als Vader ontdekt

allen , die tot openbare belijdenis van het

Chriftendom zijn aangenomen allen, die

door hunkerkgaan, door Avondmaal-houden, door andere uitwendige vertooningen van Godsdienst tot God „ Heere ! Heere!" zeggen ■— zijn die allen erfgenamen Gods, en mede-erfgenamen van Chriftus? Hebben ze allen reinheid des harten, heiligheid des levens, vat. baarheden voor het aanfchouwen Gods, en het genieten van de heerlijkheid van Chriftus? Kunnen ze allen deelen in Gods vertrouwdfte liefde? Wie hen kent T. weet, dat de meesten hunner in denken, en doen niets hogers zoeken, niets edelers bedoelen, als 't geen de zinnelijkheid eischt, en de zonde gebiedt. En hoe ver is deze gefteldheid verwijderd van de gefteldheid die er nodig is, om de erve der heilige

(j) Rom. VIII: 17.

Sluiten