Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

368 Gods heerlijkheid

ren des vclds — zij dagten niet over den ooriprong alier dingen, over de fchoone overeenftemming, de verrukkende orde van alles na —-' zij hadden geen oog voor de, op ieder fchepfel ruftende , ftralen van Gods Alvermogende Wijsheid. Rampzalige , ftrafwaardige onkunde! De ftralen van Gods Majefteit fchitterden door de geheele aardfche fchepping, en de Heidenen waren blind, zij zagen ze niet, zij bonden hunne oogen toe voor derzelver glanzen. Wat wonder, dat de beledigde God, tegen wien zij zig zoo fterk hadden vergrepen, in zijnen toorn toeliet, dat zij zig ook tegen zigzelf vergrepen , en hen overgaf in eenen verkeerden zin?

Ik wil dit niet verder uitbreiden. Het

geen bij de Heidenen zonde was T., is ook zonde bij ons, een bron, een moeder van duizend zonden. Zondigden de Heidenen, met onoplettend te verkeeren omtrend de werken der Natuur , die overal hen aan den Eerften veroorzaker aller dingen herinnerden, wij zondigen insgelijks, wij zondigen zeer zwaar, als wij God niet leeren kennen uit zijne werken. Het is waar: een hoger licht beftraalt ons, wij hebben Gods Openbaring in zijn woord. Een onwaardeerbaar gefchenk! wie kan God genoeg voor hetzelve danken ? Dit woord bragt

licht

Sluiten