Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

in de Sneeuw. 399

geen fterfelijk oog dringt! geene verbeelding

ftijgtü daar onuitfprekelijk! eeuwig!!

naamloos-heerlijk !!!

Als wij de Sneeuw zien wegfmelten voor den dooi, dan kunnen wij aan de onbeftendigheid onzer voornemens van bekeering denken. Ach! T. konden wij dit niet! was

deze vergelijking ongerijmd, onmogelijk! was het mijn pligt niet, fommigen uwer dit te herinneren ! maar ik moet, mijn hart gebiedt het mij, en gave God ! ja, gave God ! ! dat ik het deed voor de laatftemaal. Weinige menfchen zijn zoo verblind , dat zij niet weeten , dat zij moeten bekeerd worden; weinigen zijn zoo verhard , dat zij hier nooit aan denken. Maar hoe denken zij er aan ? Zij befchouwen het als een laftig werk, 't geen zij niet lang genoeg kunnen uitftellen, of als een werk van eenige oogenblikken, of zij houden tranen, uiterlijke verncderingf;: -^v--Vering. Als de Rigter der volke, elen op aarde zendt; als

iezen lijden; als iemand ] *!> > vüï| bekenden naast hunne zij-

~' ~ r graf"; als God hen op een If^Éi^^ VV- werpt; als het gelaat des •Ih"1'--' f !. t t; als zij de poorten der

V^tt'* ' & 1 ' ^arftcn; als zij God, den BIM^^^w jjrt onomkoopbaren Rigter

hun-

Sluiten