Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DE SjJEEUW. 403

Ik kon nog- langer hierover tot u fpreeken, maar ik moet nog een paar woorden over een onderwerp zeggen, dat, zo het al met mijne tegenwoordige ftof niet, ten minften met het jaargetij, dat mij tot het behandelen van deze fiof gelegenheid gegeven heeft, zeer wel in verband ftaat. Het is, de mildadighcid , de barmhartige mededeelfaamheid aan de armen (f.) Ziet dan in mij hun voorfpraak

G. en gevoelt hun nood. Ach! zij lijden zoo veel, zij hebben zoo veel geleden door de bijtende koude van den barren Winter, en zij hebben zoo weinig — God! gij weet, hoe weinig ! zoo weinig om zig tegen dezelve te

wapenen. Beweldadigde Menfchen ! gij gevoelt ook de ftrengheden van dit faifoen, maar hoe veel gaf God aan u, om dezelve te verzagten, 't geen uwe broeders misfen ? Geniet vrij het goede, verwarmt u bij uwe vroüjkbrandendé vuurcn,zit aan weigeladen tafels, drinkt een teug van verwarmend vogt, kleedt u met welgevoederde , dikker winterklederen, gebruikt alle hulpmiddelen ter beveiliging tegen de koude doet dit, God geeft er u vrijheid

(t) Deze leerrede is gehouden in het lopend jaar 1784 op den dag voor de Collefte, die de menschüevendheid

der'agtbare Burgervaders onzer Stad . waarvoor mijn hart

hen nog dankt verordend had ter onderfteuuing der

noodlijdende armen.

Cc 2

Sluiten