Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4ojj. Gods Heerlijkheid

heid toe, dankt hem, dat gij die doen kunt — maar denkt dan ook aan de ellendige, van alle kanten doorboorde hutten uwer medemenfehen, in welken de koude fnijden, woeden kan zonder beteugeling verlaat fomtijds uw win-

tervertrek , cn bezoekt die wooningen der armoede ziet! op den naakten haart fmeult,

en dampt eenige glimmende asch, rontom welke kinderen ,cn ouden van dagen zitten te klappertanden — hoort het huilend jammergeroep van verkleumde Vaders en Moeders, om dat zij hunne trillende kinderen niet verwarmen ,

niet verzadigen kunnen ziet de fidderen-

de,halfnaakte, verftijfde, magtcloze grijzaarts, de hulpeloze zuigelingen, die op hun vermagerd aangezigt, in hunne verfcheurde klederen de ftempels der bangfte ellende dragen — hoort hen zugtcn, klagen, fchrcien over de onverdrageiijke koude van den dag, de nog onverdragelijker koude van den nagt, en gebrek aan alles kunt gij dit zien , dit hooren, hieraan flegts denken T. zonder dat uw hart gloeit van'medelijden ? Ach! dan zijt gij geen menfchen, dan is het menfchelijk govoel in u verflikt, dan fpreek ik tot barbaren,

tot tijgers. Neen G. ik zie aan uw oog,

aan uw gelaat, dat gij menfchen zijt. Mij dunkt, uw hart klopt van medelijden, gij gevoelt drang tot helpen, gij wilt toefchieten om hun leed

te

Sluiten