Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( *5 )

VII. In de zevende plaats durf ik vrij beweeren , dat ,, de rechte , naar regels geleer-

de, kennis der Moedertaal voor het volk „ een nodig vereischte en heilzaam middel „ is tot bevordering van goede zeden."

Menig een zal, misfchien, zeggen: Ó ! als wij het andere maar hadden, dan mag de inwooner van het voormaalig Zeeland, Friesland , en Groningerland, dan mag de Haarlemmerdijker en die op de Utreclufche ftraat woont, in zijne platte taal, van zijne overige landgenooten te onderfcheiden zijn ; dit zal voor de zeden niet fchadelijk weezen, en men kan, fchoon men niets dan Frieseh boersch fpreekt, even zedelijk braaf zijn als iemand, die zijn Nederduitsch in den grond verftaat. — Dit is ook waar: wie zou het tegenfpreeken ? maar hier word gehandeld van het gros des volks; en elk zal erkennen, dat de platte taaien, inderdaad, zeer nadeelig zijn voor het onderwijs, voor het verdaan en beoordeelenvantdlede (lukken der verlichting, en dus moeten wij ook dit middel niet verachten , dat zo bevorderlijk is voor het goede. Want het begrijpen van alle gewichtige zaaken zo gemakkelijk voor het volk te maakeu, als mooglijk is, dit is voorzeeker het heilzaamfte middel om de uitvoering en betrachting daarvan in het rijk der zeden te bewerken j en het'zoude niets meer dan een ideaal zijn, aan waare Volksverlichting te arbeiden , indien men zich niet wilde bemoeien met het algemeen maaken van de kennis der moedertaal. Die het oogmerk wil — moet ook de middelen willen of — hij bouwt luchtkafteelen , die in wind vergaan. — Een goed taalkenner E is

Sluiten