Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C .30 )

het opbrengen. Als bouwland veel geploegd en geëgd worde, dan kan het veel beter die olie-en zoutachtige deelen ontvangen , die door middel van regen, daauw, enz. daar in dringen , en welke volftrekt noodig zijn tot het groeien van de gewaslen. Om die reden moet men voort weer het land bewerken, zoo dra de vrucht 'er af is5 te meer ook op dat het onkruid fterve, het welk de Landman nooit met rust moet laaten. Laat geen doornen en distels groeien, geen mest en molhopen liggen ; zorgt altijd voor goede afleidingen van het water; Ipaart geen vlijt om alles, wat 'er të dotn is, behoorlijk en bij tijds af te doen, ook dan wanneer gij voor anderen werkt. Een luie arbeider of knecht loopt fpoedig in het oog als een dagdief; zijn werk wordt aan een anderen gegeeven,eu hij verliest zijne kostwinning. Zoo volgt 'er altijd armoede en fchande op eene flegte waarneeming van ziine bezigheden, terwijl voorfpoed, eer" en lof de gevolgen der nijverheid zijn. Derbalveij: niet traag in't benaar'jligen, maar vuurig van geest, Hom. XII: u. De hand der vlijtigen maakt rijk. Spr. X: 4. maar de lult aart kan het n >oit voor go d verandwoorden, dat hij den kos'elijken tijd niet beter in acht neemt. Paulus vermaant daarom de luiaards 2 Thesf. III: 11. ia. ja beveelt hun door onzen Heere j 1; s u s c iiris t u s , dat zi] geene ij dele dingen doen, maar dat zij met ftillmd werkende, hun eigen urood eeten. Ue reueloze mier gaat ons in vlijtigheid voor, Spr. VI: 6. hoe moesten wii dezelve niet overtreffen , en al watwij te doen hebben, dat met alle macht doen, Pred. IX: 1 o!

5-

Sluiten