Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 58 -)

zijn onze vriendfchap onwaardig, en mogen van ons veracht worden. Dit is ook een vooroordeel,dat vrij algemeen is. Hoe veele menfchen zijn 'er, die hunne medemenfehen haaten en verachten en zich van hen onttrekken,alleen daarom, om dat zij in 't burgerlijke tot eene andere pattij behooren, of in 't Godsdienftige tot een ander Genootfchap. Maar het ongegronde van zulk eene afkecrigheid van zijnen naasten kan zeer gemakkelijk bewezen worden. Wij kunnen niet zeggen of anderen verkeerd denken, ten zij wij 'hunne denkwijs zoo wel als de onze onderzocht en getoetst hebben: en daar aan ontbreekt het veelal bij hen, die anders denkenden verachten. Ons oordeel kan ook dwaalen , en zeer gemakkelijk anderen op eene ongegronde wijze van verkeerdheid in denkbeelden befchuldigen. En al is het al eens zeker, dat een ander dwaalt in zijne gevoelens, dan nog mogen wij hem daarom noch haaten noch verachten: want ook wij zijn aan dwaling onderworpen; en dwalingen des verftands kunnen een mensch nooit Verachtingwaardig maaken, maar alleen verkeerdheden van 't hart. Derhalven, hoe een mensch uok denken mag, als hij zich wel gedraagt, dan verdient hij onze broederlijke toegenegenheid. Als iemand zijn geweten volgt, dan is hij beter, alfchoon hij in een of ander Opzicht valfche begrippenhebbe, dan iemand, die de waarheid kent cn zegt te gclooven,en 'er niet naar leeft Hier uit ziet 'gij, dat het een ongegrond en onbetamelijk vooroordeel is, anders denkenden overhoord te v>rfmaden en te verachten. — Befchuidigt nooit an-

de-

Sluiten