Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 183 )

{landelijke vermogens te wijd van elkander loopt; zo is het de plicht van elk welönderweezenen, de kennis van zijnen evenmensen, •uittebreiden, of deszelfs verftand met nutte kundigheden, die betrekking tot zijn beroep hebben, te verrijken, om daardoor deszelfs geluk te vermeerderen : op dat hij , door onkunde, voor de menschlijke famenleving, niet onnut worde, noch door gebrek, aan de jioodzaakelijkfte behoeften des levens , behoeve te kwijnen.

Het is ook de eisch der mflatfchappijelijke famenleving, dat wij de verftandelijke vermogens van onzen onkundigen medeburger helpen uitbreiden, en zijne kennis, in zaaken, die de verbetering van deszelfs beroep

betreffen , vermeerderen. Zo lang

ieder huisgezin of familie op zich zelve eene maatfchappij uitmaakte, konde hetzelve zich misfehien minder verplicht rekenen, zijne kundigheden aan andere huisgezinnen , met welke het in geen naauw verband ftond, medetedeelen, terwijl in dat geval elk huisgezin nog met eenigen fchijn van billijkheid konde beweeren , geene gemeenfehap met de andere familien te hebben, en dus aan zijne beftemming te voldoen , wanneer het de kennis en welvaaart onder de leden van zijn eigen lichaam trachte te vermeerderen.

Maar toen die bijzondere huisgezinnen , nf kleine burgerftaateh , zich maatfchappijelijk

verëenigden, ging hunne bifzondere tot

de algemeene verplichting over; alle zulke familien wierden dus inëengefmolten , om voortaan maar één huisgezin uittemaaken^ het bij* ]M 20U-

Sluiten