Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 65 )

zult met deezen jongen zo eenen grooten haast niet maaken.

h. Mair gij hebt ook mijn twee jongtte zoonen gezien: Hoe zijn u die voorgekomen.

s. Daar van wilde ik nu liefst zwijgen. Mij dunkt dat onze famenfpraak reeds aan het oog-» merk daar van beandwoord heeft, en ze zijn nog te jong om ze bij een Ambacht te doen.

h. Neen, neen, zo niet! gij hebt u ftraks een woordjen laaten ontvallen dat ik wel opgemerkt en gevoeld heb; gij zoudt wat zeggen dat mij genoeg bedroeven' zou.

s. Wel denkt gij niet dat ik daar toe reden heb, wegens uwe twee jongfte zoonen?

h. Om de waarheid te zeggen, fchoon ik alle mijne kinderen lief hebbe , kan ik over het verftand en oordeel, noch over de humeuren van de twee jongsten zo gunftig niet denken als over de twee oudftenl; en ik geloof niet dat ze in de jaaren die mijn oudften nu hebben , zo veele bekwaamheid, (genie) zullen tooneri.

s. Uwe ondervinding zal u dat wel reeds geleerd hebben, en 't blijkt dat gij 't reeds hebt opgemerkt en weet. Op één na de jonglle, met zijn rechte haairen heeft, naar mijne gedachten, een flecbt humeur. Hebt gij wel gezien hoe nijdig hij mij aankeek, toen ik hem eene vraag deed ? Hij ziet 'er van nu of aan nijdig, kwaadaartig, geemeïijk en onvriendelijk uit. Gij zult het wel weeten hoe hevig hij dwingen kan en altijd zijn zin E wil

Sluiten