Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

350 MENGELWER K.

Hetfcheen myn droefheid was hem leed: (Schoon ik voor hem verborg hoe hymyn hartceedlyden:)

Ik weende, ik fprak geen enkeld woord; Myn jacob zocht hem op , dien hy poogt tevermyden ; Wat bitze taal heb ik uit '4 vaders mond gehoord! Wat ceeden iiéfée en fpyt aan jacob niet al zeggen 1 De jongling was verwoed! voorwaar het liep te hoog;

Zyn oom tracht hem te wederleggen: » Zwyg, fnoode! fprak hy, die zo fchendig my bedroog; „ 'k Begeer haar niet, ó reen! kom, haal uw dochter weder;

Uw r ac hel is het loon door u my toegelegd; „ Om haar heb ik gediend; zy mint, ik min baar teder;

„ Geef my haar, doe me eens eenmaal recht v' Maar 'k zwyg de bitterhecn elkander toegebeeten : Myn jacob had zig zelv' ten eenemaal vergeeten.

Ik,(leeds gewoon , als hy , getergd, te driftig wierd, Met minzaamheid hem neêr te zetten, Kon nu in 't minde niet beletten

Dat zyne oplopendheid door hem werd bot gevierd:

uXl ' • ? i> Ik

Sluiten