Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der. VROUWEN.

19

ne wellustige Vrouw hem meerder trachten tot zig te trekken? Zouden mijne bevalligheden niet te vroeg voor hem verwelken, of, wanneer ik daar van flechts weinig bezitte, zal hij met dat weinige te vreden zijn, en wanneer hij het fchijnt te zijn, zuilen zijne woorden met zijn hart overéénftemmen, zal hij altijd zoo fprcken ? Zoude ik hem fteeds behaagen kunnen , daar'er fchoonere , befchaafdere, verftandigere Vrouwen, dan ik, zijn? Zal hij geene zwakheden in mij befpeurd hebben, die ik misfchien zelve nog niet zag? Zal hij met al mijnen en zijnen goeden wil voor het vervolg gelukkig worden? Zal hij zig niet, uit hoofde van deeze of geene mijner jeugdelijke verkeeringén met eenig ander Man, hoe onfchuldig die ook waren, door kwaade tongen tegen mij laaten opzetten? Zal hij nimmer, tot zelfs in de grootfte kleinigheid toe, een huichelaar omtrent mij zijn?

Deeze en veele andere, deels nog gewichtigere, vraagen werpt de vrouwelijke liefde, onder de bedrieglijke ingeving van geheime minnenijd, dagelijks op, en wordt daar door de moeder van haare eigene allerzonderlingfte luimen en gemoeds-kwellingen. Ongelukkiglijk wagt zij de beantwoording van zulke vraagen, gelijk het bijna met alle driftige lieden doorgaans gaat, niet eens rustig af, waardoor zij echter zeer gemakkelijk zoude kunnen bevredigd worden; maar zij werpt die,allen onder elkander, en vermeerdert daar door flechts haar wantrouwen en twijffeling. Zij heeft met honderd vijanden, van buiten en van binnen, te gelijk te kampen; hoe zoude zij altijd in een goeden luim kunnen zijn! Zij heeft haargeheele leven met een ander over de helft gedeeld, moet nu Biet eene dubbele bezorgdheid, met opzicht tot zoo B a yee;

Sluiten