Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dêr VROUWEN. 3»

„ alleen, in zoo verre zij daar door, als Vrouwen ,, van zulke Mannen, boven andere Vrouwen uitfte„ ken. Heeft de Man verdriet, zoo lijden zij-niet, „ om dat de Man lijdt, maar om dat haare hoog-

moed daar door gekrenkt wordt, enz."

Ik mag deeze plaats niet geheel wederleggen, maar ook niet geheel verdedigen, fchoon 'er Vrouwen van dien aart genoeg zijn mogen. Naar mijne gedachten; ontftaat in het huuwelijk doorgaans ook eene nieuwe gemoeds - ftemming der jonge Vrouwen , die noch voor haar, noch voor haare Mannen, zeer voordeelig is. De gedachte der eerstgemelden, van zig in een groot gedeelte haarer wel eer zoo fterkgevoedde hoop, dikwils op eene zoo onverwagte wijze, bedrogen te zien , is eene frhertelijke gedachte. Geen mensch geeft zoo gemakkelijk het fpeeltuig zijner ijdelheid weg, als duizende Vrouwen in den echten ftaat het zelve moeten weggeven. — Vrij en vrolijk van zinnen, vol verwagting en verbeelding, ijlden zij haaren nieuwen ftand te gemoet, en konden nimmer denken , dat deeze vrijheid allereerst aan het ijzeren voorhoofd van den Man zeiven ftooten zoude. Welk eene ongelukkige herfchepping! De Man, die aan de Vrouw voorheen eenen zoo hoogen rang, namelijk dien van de eerfte onder alle denkende en gevoelige Wezens, gaf, wil haar nu zelfs weder van haaren throon afftooten. De Man, die nog kortlings voor haare voeten lag, voor eene drukking der handen, voor een kus, de geheele weereld zouden gegeven hebben, waagt het, om haar zijne hoofdigheid, zijne eigenzinnigheid, en zijne kwade luimen, te laaten gevoelen; de Man, die alleenlijk voor haar, en door haar, leefde, en zonder haar niet leven wilde, die hemel en aarde tot

ge-

Sluiten