Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f 4 CHARACTER - SCHETS

over de befchaving van den vrouwelijken geest, en derzelver grenspalen, heeft doorgedacht. Vervolgens {pag. 369 & 370.) verklaart hij zig hier omtrent nog duidelijker. ,, Het onderzoek van afgetrokkene, „ en in loutere bcfpiegeling beftaande waarheden," zegt hij een weinig lager, ,, van de grondbeginzelen „ en ftelregels der wetenfchappen, kortom alles, het }, welk dient, om de denkbeelden algemeener te maa„ ken, behoort niet aan de Vrouwen. Alle haare s, ftudiën moeten tot het beoefenend leven betrekking hebben. Aan haar koomt het toe, om van de „ grondftellingen, welken de Man uitgevonden heeft, „ gebruik te maaken, en de waarnemingen op te za3, melen, die den Man tot bevestiging van die gronds, Hellingen heen leiden. Alle aanmerkingen der Vrqu„ wen, in het geen niet ommiddelijk haare plichten s, aangaat, moeten tot die aangenaame kundigheden „ betrekkelijk zijn, die niets , dan den fmaak, tot „ voorwerp hebben; want zelfs de werken van ver„ nuft gaan boven haar bereik. Zij hebben boven„ dien geene juistheid en opmerkzaamheid van geest „ genoeg, om in wetenfchappen, die minder opper„ vlakkig zijn, vorderingen te maaken. "(*)

Dee-

(*) Deeze en meer andere Hellingen van den onpartijdi. gen Richter van het fchoone gedacht, heeft één zijner bekwaamde Lofredenaars, de Schrijver van het Boek: Man und ffeib, getracht te wederleggen op eene wijze, die de konst van een Verdedigings-fchrift alle eere aandoet, en van eeneniet gemeene waarheids-min, fchoon niet altijd van een rustig waarheids-gevoel> des Schrijvers getuigen» draagt.

Sluiten