Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0 e k VROUWEN. 103

zamerhand de neiging tot liet zedelijk goed, en de fmaak voor eene onbevlekte zedelijkheid. Tot dit genot , tot deezen gelukkigen ftand des gemoeds , kan zig eene Vrouw niet meer verheffen., die zoo vast aan de ijdelheid, en aan het aardiche kleeft. De hemel der deugd, de liefde zelve is voor haar gefloten, daar zij derzelver beeld flechts op de lippen, maar niet in het hart draagt. Zij wil ons Mannen niet gelukkig maaken, niet verbeteren, zij wil ons alleen bedriegen, kwellen, en tot zinlijkheid aanzetten.

Deeze aanmerkingen fchijnen alle niet tocpasfelijlc te zijn op die zoort van goedaartige Coquetten, die eene weekere ziel hebben, en wier trek tot het doai van veroveringen niet alleen door eerzucht en ijdelheid , maar ook door eene natuurlijke teederheid van geitel, geregeld wordt. Het fchijnt haar leed te doen, ■wanneer anderen door haare liefde lijden, en wanneer zij alles niet-weder kunnen goed maaken, het geen zij door haare Coquetterie bedorven hadden. Maar deeze ooedaartige overwinnaresfen bevinden zig als op eenen zeer gevaarlijken en onzekeren weg, en ik durve het niet waagen, om voor haare deugd borge te blijven. Zij zijn Vrouwen , die, met eene tamelijk groote gifte van teeder gevoel, verfcheiden Mannen te gelijk in huwelijk zouden kunnen hebben , indien het de zeden des Lands veroorloofden. Gemeenlijk gaan zij ijl haare toegevendheid verder, dan de omzigtigeen flimme Coquetten gewoon zijn te doen. Zij kunnen misdrijven begaan , niet uit wezentlijke verdorvenheid van het hart, — maar uit blinde goedaartigheid, en dewijl zij geenen verzoeker iets mogen afwijzen. Zij verftaan de kunst zoo goed niet, als de anderen, om iig op eene listige wijze weder te rug te trekken, G 4 wan-

Sluiten