Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

166 C H AR ACTER - SCHETS

„ Hoe meer ik hem bel'choüwde, hoe meer mijdagt, dat ik hem reeds ergens gezien had, zonder dat ik „ mij plaats en tijd konde te binnen brengen, tot dat „ eindelijk één uit het gezelfchap, die hem een wei„ nig nader, dan de anderen , onderzogt had , ons „ door de trekken, zoo van zijn gelaat, als ander„ zints, duidelijk overtuigde, dat dit afgodsbeeld„ jen , in het. middenpunt van het hart opgericht, „ niets anders was, dan — die zelfde opgepronkte „ jonker, van wiens hersfenen wijde ontleeding bo„ ven hebben opgegeven (*).

„ Zoo dra onze ontleder zijn werk geëindigd had„ de, befloten wij, dewijl wij omtrent de eigentlijke „ gefteldheid van dit hart, het welk van andere „ Vrouwen-harten zoo merkelijk verfchilde, het „ onder eikanderen niet eens konden worden, eene „ proeve met de zelfftandigheid van dat hart zel„ ve te doen. Wij legden het op - gloeiende „ kooien, maar te verre af , om 'er door' verteerd „ te kunnen worden, dus werd het door de hitte

,, niet

( * ) De Lijst, welke de SpecJator van de hersfenen vaa zulk e«n ledig hoofd heeft opgemaakt, is zeer lezenswaardig. Wij willen het bij eene andere gelegenheid onzen Le. zeren mededeelen. Hersfenen waren het eigentlijk niet, welken men in het hoofd van deezen jonker vond, — maar alleen een ding, dat de gedaante van hersfenen hadde, en door eene groote meenigte van holligheden uitftak. In één deezer holen vond men die fponsachtige (toffe, aan welke de Franfchen den naam van Galimatias, en de Engelfchen van Nenfenfe geven.

Sluiten