Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

172, JESUS C Iï U I S T U S

was voor hem vol fchrikbcelden. Alles, wat hy zag, wat hy hoorde, wat hem bejegende, kon hem ongeluk voorfpellen, kon hem van zyne beste voorneemens affchrikken, kon hem in zyne ondernecmingen en arbeid wankelmoedig en angstvallig maaken. Ieder niet dagelyksch verfchynfel in de natuur moest hem in de war brengen en verontrusten. Ieder ongeval, dat hem of den ftaitt overkwam , was in zyn oog een teken der ongenade cn der verbolgenheid der goden, cn dan wist hy echter niet, welke Godheid , cn waar door hy haar beledigd had, en hoe, cn waar door hy haar weder te vriend zou maaken. Dit alles moest hy van heerschzuchtige cn dweepzieke priesters en wichelaars, of door dubbelzinnige, bcdrieglyke godfpraaken leeren. En hoe ongefchikt waren niet de begrippen, die hy zich van zyne goden, als van zelfzoekende, wraakgierige, en even als de menfchen door kostbaarc gefchenken intenecmenc, of ook door beuzclingcn ten uiterflen te beledigende wezens moest vormen; hoe ongefchikt waren deeze begrippen om hem gerust te Hellen en hem bedaardheid en gerustheid des gemoeds in te boezemen! Hoe onvruchtbaar was zyn gantfche godsdienst in alles, wat den geest verheffen, het hart uitbreiden, cn groote, edele aandoeningen in

het*

Sluiten