Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE HERSTELLER DER VRYHEID*

trekking tot hem te verftcrken. — De natuur, en de veranderingen, in dezelve voorvallende, zyn in zyne oogen enkel bewyzcn van dc wysheid en goedheid zyns Gods, maar geene boden der verfchrikking. Geen vcffchynfel aan den hemel , geene gebeurdtenis op de aarde ontrust hem, naardien hy weet, dat geene cn deeze naaiden eeuwigen, onveranderlyken raad van den Opperbcfiuurer der waereld, van den Alwyzcn en Algoeden, gebeuren. Dc rampen, die hem of anderen, of geheele maatfehappyen van menfchen treffen, worden niet door de valfchc, bygeloovige gedachte, als of het altoos een biyk des goddelyken ongenoegens was, nogzwaarer, óf zelfs nog onverdraaglykcr voor hem. Hy weer, dat zulke rampen de goeden zo wel als de kwaaden treffen, cn meestal geheel andere oorzaaken en redenen ten grondflage hebben. Hy weet en gelooft vastelyk, dat God ook jegens de zulken vaderlyk gezind is, die van de beevende aarde, of van de woedende zee verzwolgen, of op eenige andere geweldige wyze uit het land der leevenden weggerukt worden. Dus is hem de gedachte van God fteeds troostryk , fteeds heuchclyk; dus ftrekt hem de dienst, dien hy dit goederticrene Wezen bewyst, nimmer tot dwang, maar altoos tot lust ©n zaligheid. Dus

leert

Sluiten