Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 TIM. I. 13. 25

den anderen. De driften raken gaande : ieder wil gelyk hebben , de eigenliefde en trotsheid bezielen allen, en de Godsdienst is er de dekmantel van. •— Er is geen gezag, dat de verdeeldheden ftuit, geen regelmaat, waar aan men de geesten beproeven kan. Men zegt, de Bybell maar ieder verftaat die op zyne manier, en legt haare leer uit, naar zyne byzondere

gevoelens ondertusfchen , de Leeraars,

door geest van tegenfpraak en eerzugt vervoert, verliezen het wezenlykc , den geest des Euangeliums, uit het oog , en prediken meer tegen elkander , als geloof en deugd. TJe leden , 7,00 veel verfchil hoorende , weten niet, waar aan zig te houden , en zyn zelf vol bitterheid tegen den anderen. Welhaast heerschï er een algemeene verwarring. De openbare Godsdienst, van deszelfs wezenlykfte fteunzels en naraden, eensgezindheid, liefde, en den cgten geest des Christendoms beroofd, geraakt in veragting. De één zegt, ik ben een leerling van Pauius, de ander , ik van Apollos! de eerbied voor de prediking des Woords verlaat de harten. Men verzuimt ze

welhaast. De onverfchilligheid tot allen

Godsdienst begint toe te nemen. Men befchouwt dien, ten onregte, als een ydcle ftelzelzugt , en letterziftery. De geest deszelfs wykt uit Leeraars en Leden-maten. Het leven, P 5 dig

Sluiten