Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

133 II. LEERREDE over

dat winderige en digtkundige trekken, dat op- * gefraukteaartigheden, de waare welfpreekendheid uitmaken ! hy zou zig deeriyk bedriegen, en befpottelyk maken byalJen, die een goed*

gehoor bezitten! Maar, fhan wy naar

zulk een' fpreektrant, die toont, dat wy zelve voelen , wat wy zeggen; dat wy met ons onderwerp (niet met ons zeiyen} ten eenemaal zyn ingenomen, dat de waarheid , in haar verhevenheid en gewigt, ons bezielt, en dat wy branden van yver om onze hoorders gelukkig temaken! — Dan zal onze ftyl van zelve behagen en treffen , wy zullen nooit tweemaal het zelfde behoeven te zeggen, wy zullen nieuwe zaken en woorden genoeg omtrent het eigen' onderwerp , kunnen vinden , zoo dat wy nimmer door een' oplettenden met verdriet gehoort worden : wy zullen veel eer de aandagt opwekken, de harten roeren, den lust tot onzen dienst vergrooten; en dit ons fiëraad za! ons een zeer gepast werktuig worden, om waarlyk nut te doen, en ingangte vinden. Zoo dan, onze voordrage zy

deftig; de befchryvingen, die wy van Godsdienstige onderwerpen doen, eerwaardig en verheven; de toon der bewyzen, die wy aan-' voeren, mannelyk en leerzaam; vooral, de taal der vermaningen en opwekkingen, die wy aandringen, zy kragtig , hartroerend, over-

tui-

Sluiten