Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REDENVOERING. 21

wreven uithoofde van zijne verklaringe •der woorden van Paulus in den brief aan ■de Philippenzen 11. 6, merkte hij aan, dat fommige Kerkvaders, bij voorbeeld Hieronymus tegen Jovinianus, Augusti* mis tegen Pelagius, en meer anderen, zich onvoorzichtiglijk bediend hadden van veele getuigenisfen der Godlijke Schriften , die echter niets konden uitdoen tot ftavinge der gewigtigfte waarheden en van de Verborgenheden des geloofs, in 't bijzonder ten betooge van J e s u s Godheid en der H. Drieéénheid; en hij befloot, dat men, zich wapenende met onzekere en duiftere bewijzen, bij de dwaalgeeften niets dan befchimpinge behalen kan (7). Was deze aanmerking in de zestiende €euwe zeer gegrond, zij heeft in den tijd, welken wij beleven, en waar in alle bijgebragte Bijbelplaatfen fclierpzinniglijk beoordeeld worden , geen

min-

(/) Lutherus torn. i. Epjjl. pag. 149. Conf. Ernefii in Opufc. Theol. pag. 541. fqq.

B 3

Sluiten