Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jREDENVOERING. $?

ze begunftigde; dat Johannes , hoe eenvouwig ook, niet geheel onwetend fchijnt geweest te zijn van de wijsgeerige gevoelens, die ten zijnen tijde in zwang gingen, en naar welke hij zich fchikte; dat bij Jakobus, Petrus en Judas zekerlijk geen genoegzaame bewijzen zijn, dat zij den Heiland voor meer dan een' uitmuntenden profeet gehouden hebben; en, eindelijk, dat het zoo zeker niet is, of Paulus Hem den naam van God gegeven hebbe. Uit dit laatfte is gereedlijk optemaken, wat die fchrijver oordeelt over zoo veele plaatfen in Paulus brieven. 'Er is echter ééne, naar zijne bekentenisfe, in welke de Apostel, volgens de tegenwoordige lezinge, fterk fpreekt, en Christus noemt een' God boven allen te prijzen in eeuwigheid (JT); doch wanneer wij de plaats oordeelkundiglijk inzien, zegt Paulus alleenlijk, naar 't begrip van dezen fchrijver,

Hom. ik.' 5.

D 5

Sluiten