Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c s)

nomen hebben, de Kerk van Jefus aan de eene zyde te ondermynen, wanneer zy dezelve aan den anderen kant beftormd hadden. Zy hebben fteeds toegelegd, om de fchapen van den eenigen goeden Herder, welke zy, door geweldige vervolgingen, alleenlyk naar het lichhaam konden doden, door arglistige verleidingen en gevaariyke ergernisfen, ook van 't geestelyk leven te beroven. In de oude Joodfche Kerk bevonden zich reeds bcfpotters der Waarheid en verfpreiders van ongeloof cn boosheid (*). De Apostolifche Kerk was niet vry van dat onkruid. Men ontmoet, dien aangaande, het ontwyffelbaarst getuigenis in de Brieven van Paulus, Petrus, en Judas (**). Het heeft ook in de volgende eeuwen niet ontbroken a:in Verleiders, die hun vernuft ingefpannen hebben , om den weg des levens gehaat, en dien des doods en der Helle geliefd te maken. Maar onze dagen overtreffen dit alles. De boosheid en God. loosheid van de Kinderen des ongeloofs gaat verder, dan zy immer voorheen zyn uitgefpat. De magt der duisternis verheft zich op de verfchriklykfte wys, in 't midden van het helderfte licht des Evangeliums, 't welk ons beu* raait. Indien de oprechtftc harten, die, in 't geloof in Jefus,

vol-.

(*) Boek der Wysbeid TT. i, enz. C**) i Kor. XV. 32-34. 1 Pa. II, en de Brief van den Apostel Judas.

Sluiten