Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C44 )

vrouw en moeder, ja! ik ben moeder van drie kinderen, kinderen des toorns! ten zij zij onder het zegel der verkiezing liggen! maar zou ik die pligten niet verzuimen , om in oefeningen, e. z. v. den Hecre te zoeken? zou ik dan zoo wettisch handelen, dat ik het vervullen van zedepligten den voorrang zou geven? — Dus wankel ik, mijne Heeren! 't is waar, ik lees nu eu dan wel vertroostingen in boeken van mannen , die in onzen tijd hebben uitgemunt, ik weet ook, dat 'er zich zedert eenigen tijd godgeleerden hebben opgedaan, die een nieuw licht hebben ontfloken, die eene algeTteene aanbieding van zaligheid in het euangeli meenen te vinden, en die alle menfchen verpligten willen, om te gefooven, dat jesus ook hun wordt aangeboden! Maar, mijne Heeren, ik hoor tevens , dat men de rechtzinnigheid van die leeraars verdenkt, dat men hen van Remonjtranterij en sirmitiianerij befchuldigt! en dat zij de oude waarheid van de bijzondere genade, in het Synode van Dordrecht vastgeiteld, te na komen. — En daar heeft mijne ziel een afkeer van! Ik moet rechtzinnig zijn, en bij de leer der kerk blijven, of ik bewandel wegen, die niet goed zijn! — Ja, dat Huk mogt, gij ook in het befchrijven van het verderf van het christendom, wel mede, dunkt mij, in het oog hebben gehouden , dat men aan de rechtzinnigheid twijfelt van zo veele predikanten. Is het waar, men heeft mij zelfs gezegd, dat Profr. bonnet, welk een man! door zijne partij, daar hij tegen fchrijft, befchuldigd is, dat hij van de zuiverheid der gereformeerde leere is afgeweeken ? Maar, dit zij hoe het zij, die algemeene aanbieding kan mij niet baaten. jesus wordt mij dan wel aangeboden, maar ik moet geleeven, en hem aannemen, en dat kan ik niet, het geloof is niet aller, maar alleen der uitverkoornen Gods! —,— De vertroostingen, die ik in leerredenen en in boeken hoor of lees, worden enkel ingerigt aan Gods volk, aan het geloovig volk, aan de uitverkoorenen! Hoe kan ik daar nut van hebben? Mag ik ze mij toepasfen, voor dat ik tot die gelukkigen behoore? Och! dat ééns de één of ander begenadigde mijnen ftaat beoordeelde, dat ik ééns als ééne van jehovahs keurlingen erkend wierd! Maareven min als ik

ver-

Sluiten