Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 96 )

bezitten; — op dat zig de Kleine van kragt die den 145 Art. onzer geloofsbelijdenis n-'et verloochenen, maar daar aan vast houden, niet meer ergeren."

O tijden! o zeden! Is dat het christendom, dat men den Godsdienstvriend dus fcheldt en lastert? i Is dit rechtzinnigheid , dat men zich verfchuilt achter de leere van 's menfchen ellende, en dan waant vrijheid te hebben, om te tieren en te raazen ? Is dat christelijke godsdienst, den Bijbel te ontheiligen, en van denzelven gebruik te maaken, om zijnen broeder voor eenèn zot te fchelden, en hem bedreigingen toe te voegen? Dit zal den Lezer blijken, wanneer hij de aangehaalde plaatzen uit het Spreukboek gelieft na te Haan; — De brabbeltaal van den Brieffchrijver, daar hij ons een beter middel toewenscht e. z. v. begrijpen wij volftrekt niet, en kunnen 'er geen zin aan hechten; zoo veel is zeker, door het aanhaalen van den grooten schultens, dien hij in zijne grootheid waarlijk niet eens kent, kan hij ons \ die voor de gedachtenis van dezen grooten Man eerbied

voeden, in het minst niet benadeelen. De kleinen van

kragt zullen zich aan ons niet ergeren, ten ware zij te ligtgeloovig aan zoodanige wezens, als deze brieffchrijver is, het oor leenden, daar wij den grooten meester volgende, die ., zijne hand tot de kleinen wendt," ook reeds vroeg bedacht zijn geweest, „ om de treurigen van Sion te troosten, en te (preken naar het hart van Jèrufalem." Wij

vorderen niet, dat iemand het XIV Arr. van de Ncdc-rl. geloofsbelijdenis verloochene , maar bedoelen, om met dezelfde Belijdenis Art. XXVI, op het voorbeeld van den Apostel berje jmt? btrrjê of bcel mrft ö.tt misBcmositucn weg te nemen, waar door men, onder, fchijn van otimaarbia tc \MI

het ongeloof blijtt aanhouden. Wij (lappen van dezen

liefdeloozen man af, en, gelijk wij met hem gelooven, dat de toeftand der zeden hoogst bedorven is in onze eeuw en land, waartoe fooitgelijke gemoeo's-gezindheden, als hij in zijnen brief ontdekt, niet weinig toebrengen, zoo mogen wij heel wel lijden, dat hij volgends zijn wensch uitje» rem. IX: in de woestijn eene herberg der wandelaars , naar zijn genoegen, moge vinden, want de maatfehappij kan niet verliezen aau liefdelooze en bevooröordeelde menfchen.

Wij hebben , nadat dit Kommer reeds cezet was, nog eenen Brief nntvrngen, geteekend w. eenvoudig, hij is van een onrechte Cairistimie, doch welke zich t\vijle!;ngeu oppert, om dst zij zich op eene zogenoemde btvtnditig te veel fcMjtit verlaten te hebben, zij zal het andvvoord op Hiaten brief reeds gevonden hebben in No. fi en %, sn zoo haar die niet voldoet, vervoege zij zich nader aan ous.

Sluiten