Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C "5 )

fcefchouwen, wat zijn nu alle. mijne vermaaken, mijn overvloed, mijn wellust geweest? — niets dan dwaasheid, dan

moeite Uit de éöne onrust verviel ik in de andere ; de

eene dwaasheid vervoegde mij altijd tot nog grootere; de ééne begeerte was nauwlijks voldaan, of de andere onuuste mij. Als ik het toppunt van mijn geluk meende bereikt te hebben, was ik even wederom zóó begeerig, als of ik niets genoten had. In 't kort, 't genot mijner gelukzaligheid maakte mij wel moede, maar nooit te vrede; en alles, wat ik thans overig heb behouden, is een verzwakt lichaam,verlieten zinnen , eene onrustige ziel, een kuaagend geweten en een bedroefd herdenken aan mijne voorige ijdelheid." — De waare christen (dien ik u voordel) heeft het ijdele van het ondermaanfche leeren kennen. Hij hadt tijd eh eeuwigheid, aarde eu hemel, fehepfd en fchepper tegen elkander gewogen. Hij verkoos het belteiidige. Het ijdele is zijn doel niet. Hier heeft hij geen blijvende jlad, de dingen , die hij zoekt, zijn eeuwig.

De christen, die deze taal verftaat, wij hebben hier geen blijvende jlad, merkt deze wereld aan als een herberg, als het land zijner vreemdeiitigfehap. Uit dit beginfel wandelt hij over de aarde met genoegen, maar maakt *er zien. geen Haaf van. Hij grijpt de oogeublikkeu in hunne vlugt, welwetende: dat hem de eeuwigheid,zoo als hem de dood laat, ontfangeu zal. Ieder misbruikt oogenblik brengt hem op har-r teknieé'n voor den troon. Hij onderzoekt ieder daad, ieder gedagte, welk een gewigt, welk een gedaante zij na duizend eeuwen zullen hebben, en naar maate zij hem dan voorkomen, fchathij dezelven tegenwoordig. Zijn tijd is kort — zijn wen; groot ■— ziju vertrek onzeker — des bereidt hij zich voor een beter vaderland in die overdenking ; wij hebben hier geen blijvende jlad.

De christen,, die deze waarheid hulde doet, heeft vooral

geduurig err.ftige gedagte van dood en eeuwigheid. >

Ieder vallend blad, ieder verwelkend grasjen , ieder ondergaande zon, ja de gantfche natuur,is hein een inleiding in de leer der fterflijkbeid; met een inkeerend oog tot zich zelven

zegt hij: ik heb hier geen blijvende ftad Hij beziet zich

onder het gezichtpunt, waaruit hij, als zóódanig, zich zal vertoonen, bij ziju derven. „Dit lichaam , (denkt hij) dat ik verfier, zal haast nederliggen , en, in plaats van voedfel, niets meer dan eenige druppels ter verkwikking behoeven, en hoe lang duurt het, of het zal een aas der wormen zijn ? — Hoe zal ik te moede zijn, als ik mijn liefde panden het eeuwig vaarwel zal moeten toeroepen? wat zal'er bij omgaan , als P 2 mij

Sluiten