Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C '5* )

zins over die belofte, dat hem de troon zijns Vaders d avi ds zoude gegeeven worden. Ook heeft mattheus uit Josefs geflagt de afkomst vaii jesus uit david afgeleid , 't welk buiten de onderftelling, dat maria een erfdochter was, niet zoude doorgaan. — En hier bij voegen anderen de geflachtlijst, die lucas (*) opgeeft, welke geflachtlijst van maria wezen zoude; alléén maar onderstellende, dat -eli de vader van maria geweest zij. — Hij, die het Wonderbare in die woorden, de kracht des AllerhoogJIen zal u overfchaduwen enz. niet verdragen kan , moet ontwijfelbaar alle de daaden en lotgevallen van den Heiland on.verdragelijk vinden; anderszins wenschte ik wel te zien, hoe hij mij de komst van zoodanigen perfoon in de wereld beter en Gode betaamlijker zou kunnen verklaaren , als matTiieus en lucas doen; en welk een zin hij aan het gezegde van den Heiland, ik ben van den Hemel gekomen, in onderfcheiding van het euangelisch verhaal, geven zal. —a Voor het overige moeten wij berusten met maria in de ^woordtn van den Engel: geen ding zal bij God onmogelijk ■.zijn !

Alleen die genen, die jes us aannemen als hunnen borg, kunnen betuigen: Jefus is voor ons gebooren ! „ Zaliger (zegt daarom een Oudvader) was maria door het ontvangen van 't geloof in christus, dan door het ontvangen van zijn vleesch." —Wel aan medezondaars,gelooft, in dit kindeken! laat bij, die bijna geen plaats vondt in Bethïehem , een plaats vinden in uwe harten — zo zult ge, van hier fcheidende, hem vinden niet in een arm Bethïehem, maar in het Jerufalem hier boven, niet als een klein kindeken, maar als den glorierijkften monarch; niet in een herberg, maar in het eeuwig paleis vol heerlijkheid; niet in de armen van eene vrouw, maar aan de rechtehand des hemelfchen Vaders; niet daar hij kinderlijke traanen Itort , maar daar hij ons overftort met oneindige heerlijkheden vau zijn hemelsch paradijs.

Zie daar, medechristenen, onze gedagten over de geboorte yan den Heiland, zoo.als ons lucas die in den tekst,welke aan het hoofd ftaat, heeft medegedeeld. Op het einde van dit Jaar hoopen we den Gefchiedfchrijver verder te volgen, terWijl wij, in verrukking over dien wonderzoon, met deze regels eindigen:

ó Goddelijk gefchenk! de wereld kent u niet, Maar Itaal, noch tijd, zal ooit uw' naam bij ons doen flijten,

Zo we u niet preezen met een eeuwig liefde - lied, De Iteenen zouden ons de ondankbaarheid verwijten.

(O Uoofdjt. BI,

Sluiten