Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C rt7 )

' befluit en verk'aaring 'een iegelijk, die gelooft, niet zalig?—i

1 Blijft het niet een wenfehelijke zaak zalig te worden? —t

1 Blijft het niet 's menfchen pligt te gelooven, al is het dat

i veelen het zalig aanbod van het euangeli niet aannemen zul-

t len? — Daar te boven, heeft God ook niet befloien, het

' euangeli, om meer dan eene rede, door de geheele wereld

i aan alle creaturen te laten prediken? althans zoo konde hij

j dooréén en het zelfde middel, uit allerlei orden, ltaaten,

rangen en gefleldheden der menfchen , de zijnen roepen»

j En zoo hij de zaligheid aan genen anderen dan aan uitver-

t koornen wilde aanbieden, dan moest hij zijn verborgen raads-

jl befluit ontdekken, zou iemand grond hebben , om te geloo-

\ ven; doch hier uit zoude een groote wanorde gebooren wor-

den, het euangeli zou dan niet meer als een gepast middel,

I ter verwekking van het geloof, kunnen inkomen, noch 'er

{ zou plaats overblijven, om de vloekfpraken der wet, op eene

1 redenlijke wijze, tegen de verfmaaders van Gods heil, als

I tegen hardnekkigen , toe te pasfen. — Zien wij op de beöe-

\ fening omtrent dit aanbod , dan behbeft niemand der ge-

1 roepenen zich een oogenblik op te houden bij de befchou-

1 wing van Gods befluit, als zijnde Voor ons, Van vooren be-

| zien , een verzegeld boek, daar ons niet de verborgene maar

| de geopenbaarde-dingen toebehooren. — Komt dón, door

1 Gods aanbidlijke voorzienigheid het woord des euriugeliums

| tot mij, laat God ook aan mij die boodfchap doen; geloof

J het euangeli, ik heb niet verder te redeneren of te vragen,

j maar te gehoorzamen, te gelooven, en dus de verzoening,

I die mij wordt aangeboden, te omhelzen. Alle en elk zon-

i daar mag en moet zich de cuangelibelofte, een iegelijk,

1 die gelooft, zal zalig-worden , toeeigenen. Een ieder, wie

I hij ook zij, mag en is verpligt, te befluiten: „ ik, die on-

1 derden naam van zondaar, van God en christus geroe-

r pen worde, hëb de belofte van zalig te worden , indien ik

I geloove, christus en zijn heil, mij aangeboden, aan-

i] neme, en mij in den zondaars. zaligenden euaugeliweg wil a laten zaligen" —■ des mag en-moet hij 'er bijvoegen: „ in| dien ik daar op geen acht neme, mij dat niet toeeigene, en ij mij dus in Gods weg niet late zaligen , zal ik voorzeker verI ioreu gaan." — Met jjehoorzaam opvolgen der roepende | Hem geve ik derhalven Gode de eer en kan niet dwaalen; i maar houde ik mij op met redenecringen , flijf ik mij daar i in door ongeloof, blijf ik daar door van God af, ik heb I het mij zelve te wijten , indien ik onder het euangeli verloren

Sluiten