Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik nam dat gefchenk aan, als een gefchenk voor mij

ik vertrouwde op de verklaaring van het euangeli, dat mijne

zonden vergeven waren. — 't Was enkel liefde , dat ik

zagi God als mijn Vader, jesus als mijn verlosfer,

de H. Geest als mijn heiligmaaker!. — Hier kon ik danken, God verheerlijken en zijne liefde vermelden. •— Ik ' zal voordaan meer voor mijnen God leoven — Ik heb mij en alle de mijnen ook dit morgenuur aan mijnen VerbondsGod plegtig opgedragen; zoude nu mij het goede en de weldaadigheid niet volgen alle de dagen mijnes levens ?

ik. Ja brave raaii! — Uw verbojids-God heet jehova! Hij is de getrouwe.1- Schoon bergen wijken, heuvelen wankelen , zijne goedertierenheid zal van u niet wij Ken en het verbond des vredes zal niet wankelen in eeuwigheid, zegt de Heer, uw ontfermen

landman. Wat is God aan mij ouden man goed! hij heeft mij gedragen van mijne jeugd af, en nog verkondig ik zijne wonderen.

ik. Mogten alle christenen zoo denken, zoo werken !

landman. Het gaat veelen als de Joden, die jesus christus als den waaren verlosfer niet willen aannemen. Dit is de waarheid der zake, hij is gekomen tot het zijne en de zijnen hebben hem niet aangenomen. Maar zoo veel. hem aangenomen hebben, dien heeft hij magt gegeven kinderen Gods te worden , (namelijk) die in zijnen naam gelooven (*).

ik. Zo is het mijn vriend, die zelfde jesus, die den. Joden gefchonken en gegeven was, wordt ons, maar nu gekruist en verheerlijkt, met alle zijne fchatten en gaven gegeven, door het euangeli — 't komt maar op het aannemen en toeëigenen aan.

landman. Dat doet het mijn vriend; dat is het euangeli, dat de Apostelen gepredikt hebben, en och mogten onze meefte Leeraars tot dit eenvouwig apostolisch- prediken we™ derkeeren! Dan konden ze tot hunne gemeenten zeggen, gelijk paulus tot de Korinthersi (f) „ Voords, Broeders, „ ik maak u bekend het euangeli, dat ik u verkondigd heb, „ het welk gij ook aangenomen hebt, in 't welk gij ook „ ftaat, door 't welk gij ook zalig wordt, indien gij het „ behoudt op zoodanige wijze, als ik het u verkondigd „ hebbe."

IK.

(*) Jtèn. I: 12. verg. Matth. XI: 20—24 Luc. XI: 31. 32. (+) iKor. XV : 1, 2,

Sluiten