Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 18O

wij door eigen opmerking, eigen oefening, eigen ontwaarwording verkrijgen. Zoo verkeert de godsdienftige bevinding bijzonder omtrent de kracht, die aan de beöefening vdn het geloof, van godzaligheid en deugd wordt toegefchreven. Veele ontrustende zorgen beklemmen dikwijls het hart van een' christen, zorgen — die den vrede zijner ziele ftooren en zijn hart en zinnen vervoeren zouden tot buitenfpoorigbeden. Hier tegen gaf paulus dezen heilzamen raad. (*j weest in geen ding bezorgt: maar laat uwe begeerten in alles, door bidden en fmeeken , met dankzegging beketid worden bij God. En de vrede Gods, die alle ver/land te loven gaat, tal uwe harten en uwe zinnen bcwaaren in christus jesus. Wie nu dezen raad opvolgt,dien vrede geniet, en wier harten en zinnen daar door bewaard worden voor buitenfpoorigheden, heeft bevinding. —Onze Heiland gaf zijnen leerlingen deze les: ff) leert van mij, dat ik hagt'moedig ben, en nedrig van harten: en gij zult ruste vinden voor uwe zielen. Hij, die naar deze les ,op het voorbeeld des Heeren, zagtmoedig is ,als hij beledigd en verongelijkt wordt, nedrige befcheidenheid, gedienltigheïd en getrouwheid uitoefent, zonder zich te verheffen op zijne gaven, aanzien, voorrechten,hij zal gewis een gerust geweten verkrijgen, dat hem het hoofd onder alle vervolgingen zal doen boven fteken, en alle rampen manmoedig doorfïaan, eri dit zal ziju zalige bevinding wezen.

In dien zin gewaagt de H. Schrift ook van de bevinding,. De opheldering van verfcheiden Hukken, daar toe betreklijk, moet elk gezond verl'and daar van overtuigen. Pauius fpreekt van bevinding, die, uit lijdzaamheid voordgefproten, de hope werkt; de lijdzaamheid, zegt hij (§), werkt bevinding,-en de bevinding hope. De zin is: Hij, die onder ramp en druk, berust in Gods wijze en vaderlijke. Voorzienigheid, en met volharding in het goede die ramp en druk verdraagt, ervaart met de daad, dat God de vroomen niet verlaat,dat de troost van den godsdienst kracht en flerkte geeft, dat een gerust geweten manmoedig en dappeï

maakt,

(*: Filip. IV: 6, 7. (f) Matt. Xl« 29. (§) Rom, V: 4.

Sluiten