Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«ten. Geen draal van vertroosting, noch lonk van blijdfchap. dringt in zijn gefolterde ziel. Bij eiken Hap, dien hij doet, fiddert zijne menschbeid. Elk ooganblik verdubbelt de angst van zijn hart, die als vuur brandt, en de kwaal van zijne ?iel , die als een helle woedt. — Aanfchouwt doch er» ziet, of'er wet ergens eene fmert is te vinden als zijne fmerten: want de Heere heeft hem vol ellende gemaakt op den dag van zijnen gnmraigen toorn. — Verbaazend gezicht» Wat willen die traanen , dat handgewring , die doodelijke zieleangst, die wij aan dien beminlijken jesus bemerken? Waarom wordt de Heiligde zoo geplaagd, de Rechtvaardigde zoo mishandeld, Gods Zoon van God verlaten? — Dit geheim ontdekt ons het euangeli. Hier is de borg der wereld, de Middelaar en Verzoener tusfehen God en het zondig menschlijk gedacht. Hem wordt van den Vader zijnen Rechter, het geheele drukkend gevoel dier ftraffe opgelegd eu aan hem het geheele vonnis uitgevoerd, welk de gantfche wereld , door haare overtreding, van God verdiend hadde. -—— Dat deze liefde van onzen godlijken Zoenborg ons met aandoening, beziele, en dat wij die genade verheerlijken, die voor ons in deszelfs zending zoo liefderijk geopenbaard isl —

Midden onder deze rampen toont jesus een blaakenden ijver voor Gods eer, een onkreukbare gehoorzaamheid omtrent zijne geboden, en de tederfte liefde voor zijnen Vader.

Hij onderwerpt zich met de diepfte nedrigheid aan zijns Vaders wil, hij knielt neder, en valt met zijn aangezicht, op de aarde. Hij, welken de engelen aanbidden, voor wien zij hunne aangezichten uit diepen eerbied bedekken, en wien de wereld is met haare volheid, hij knielt, en aanbidt in het Hof! -— Zoo diep moest zich een Godmensch vernederen , om ons: ten hemel te verhoogen; wie dit onverfchelig kan befchouwen , wie daar door niet getroff-ti wordt, en voordgaat dien Zoenborg te verwerpen, dien zal deze Heiland, die hem nu roept en fmeekt , om in zijne liefde te deelen, verfmaaden en verftooten — eeuwig!

jesus onderwerpt zich met een volkomene gehoorzaamheid aan den wil van zijnen Vader; want bij de oogenblikkelijke vermeerdering van zijn lijden , doet hij nog deze groote verklaaring: mijn Vader! uw wil gefchiede. „ Mijn Vader! oneindig groot zijn wel de zielsangden, die „ ik fmaske; doch daarom ben ik in deze uur gekomen, ik „ wil u gehoorzamen! Zwaar is wel het gewigt van uwen

toorn, dat mijne ziele drukt; doch ik wil het verdragen, „ offchoon die last nog grooter worden mogt. Bitter is de.

kelk, dien uwe hand mij, om ie drinken, toereikt; maar Dd «■ „ ik

Sluiten