Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 214 )

yerfchijnwig was daar toe genoegzaam , en ftrekte ten oriderpande , dat zijn Vader zijn gebed verhoord en zijnen doodsangst gezien hadde. Hij , die een geruimeu tijd het aangezicht zijns Vaders niet aanfchouwde, wierdt nu' Zijne hand gewaar, en dit, dit gaf hem nieuwe kracht, om met onbeweken moed zijn volgend lijden gelaten te verduuren en rustig door te worftelen ; nadien hij nu door een zichtbare proef verzekerd wordt, dat zijn Vader hem nimmer begeven, maar, volgends zijn eigen verklaaring, (*) altijd verhooren zal.

De beltrijders van 'sHeilands Godheid hebben veel fterkte. in deze verfterking des Engels voor hun gevoelen gevonden; waarom een zeker Geleerde (f) de woorden hij verfterkte hem, liever vertaald hij gebruikte tegen hem alle zijne kracht, en gevolgelijk hier aaneen kwaaden Engel, die met jesus zoude geworfteld hebben, te denken zij. —. Doch het woord, hier door ver/lerken vertaald, betekend nergens worjtelen, en dus moeten we deze gedachte althans verwerpen. Ook kan uit onze bovengemelde vertaaling niets ter ontluiftering van jesus Godheid genomen worden. Zijne Godheid heeft de vertroostende verfterking der menschheid onttrokken, waar door in zijne menschlijke natuur noodwendig eene troostelooze benauwdheid ontftaan moeste. In dien zin hadt dan zijne menschheid troost en verfterking nodig, die hem echter zijne Godheid hadt kunnen geven, zoo hij niet in zijne ziel de gevoelige droefheid, gelijk in zijn lichaam de uiterfte pijnlijkheid voor ons hadt willen onder-' gaan en doorltaan. „ De Engel verfterkte dan (zegt een geleerd man) met des Heilands eigen magt en kracht te belijden, en aan zijne goedheid en liefde het werk onzer verlosfmg toe te fchrijven." Al hadt dan jesus de vertroosting des Engels, om zoo te fpreken, volftrekt niet nodig, hij wilde echter die in deze gelegenheid, tc-r onzer vertroosting en onderwijzing , niet weigeren.

Zoo zien we hier onzen Heiland in de diepfte vernedering. Daar hij den invloed der Godheid derft,is hij hier veel minder dan de Engelen. Die hem verfterkt fchijnt thans vermogender dan hij, die zoo veele treurigen opbeurde en. zelfs dooden in het leeven riep! De Engelen, die hem aanbidden, moeten dit metbewonderenden eerbied, naar den aard der Engelen, hebben aangezien. — Maar in 't midden van deze vernedering fchittert tevens een ftraal van Godlijke ïnajefteit. Terwijl hij worftelt in het ftof, verfchijnt 'er voor

hem

O Joan. X!: 4-- (t) p • f- wurthmderqer, in ein exegetisch onderhoek ow u ü c. XXU ; 43, 44,

Sluiten