Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 23,1 >

leeven te verheffen en voor te bereiden. —— Maar zich zeiven bewust te zijn van een braaf en deugdzaam leeven — in de vaste overtuiging, dat men vrij wat beiers te verwachten hebbe, den dood te zien naderen, en dan in zulk eena diepe zwaarmoedigheid weg te zinken — dit is tets, dat even zoo min met elkander beflaan kan, als het uit de natuur van 's menfchen ziel te verklaaren is. Wie gelukkig -enoeg is van in zijn jongfte oogenblikken met volle overtuiging van zijn hart te kunnen betuigen: „ Ik heb voor

God en mijne medemenfehen geleefd. Ik heb mijne groo" te beftemming fteeds voor oogen gehouden en mij daar ! naar gedragen. Ik heb met heilige zorgvuldigheid en

naar gemoede trachten te wandelen, en niemand opzet" lijk ergernis gesreven. — Ik ken den God der liefde, die " mijne zwakheden vergeeft, die niet naar mijne verdienften.

met mij handelt." — Kan het dien wel aan vertroosting, aan bemoediging ontbreken? — Wie verzekerd is, dat de geest weder tot God gaat, die hem gegeven heeft, wie met zulke verhelderde oogen ten hemel kan opzien, als het euangeli van ons afeischt, kan dien de moed, op het zien naderen van den dood , ontzinken? Laat hij vrij de folteringen der hevigfte pijnen ondergaan, en alle de fmerten der doodliikfte krankheden ondervinden —-—■ laat hem langzaam —, la-t hem duizend dooden fterven, laat hem voor zijn verfcheiden nog doodftrijd op doodftrijd doorftaan; het denkbeeld erhrer van Gods nabijheid en deszelfs bijzondere hulp. en onderfteuning, gelijk niet minder de nabijheid van een beter leeven aan gene zijde des grafs, zal (berk genoeg zij», om de ziel, die haare volmaaking te gemoetfnelt, onder dit alles bedaard en ftandvastig te doen blijven — Msac wie, wie der menfchen, die immer op aarde leefden, hadt alle deze voordeden, deze troostgronden en godlijke onderfteuning meer dan je sus? Wie hadt ooit de deugd tot zulk een hoogen trap van volmaaktheid gebragt, en geoefend? Wie was oprechter, ijveriger aanbidder en vereerer van

God r-wie tederer menfehenvriend, rechtfehapener man

en gemoedlijker in alle tijden en onder alle omftandigheden dan'hij? — Het is waarlijk toch de vroome, de deugdzame man — hij, die voor de zaak van waarheid en deugd lijdt, zich zeiven bewust is van zijne oprechtheid voor God, en daarom de grootfte blijmoedigheid des harte ondervindt, die alleen met vertrouwen tot God moet kunnen opzien, en Hij, die de hoogachting van alle weidenkenden wegdraagt, of met recht 'er aaufpraak op heeft, moet geheel iets anders Ec 3 m

Sluiten