Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 226 )

aarde zonder zijnen wil; zoo veel te meer moet hij immers belang nemen in het geluk en Welzijn van het edelst gedeelte der zichtbare fchepfélen, van menfchen, die zijn beeld ver« toonen eu zijne kinderen genaamd worden. — Hij, wiens zorg zich zoo bijzonder uitftrekt over ieder mensch, dat zelfs alle de hairen van zijn hoofd geteld zijn, zal dan ook voor al zorg dragen voor grooter lichamen en maatfehappijën der menfchen, die in zoo veele opzigten aanmerklijker zijn dan een eenig bijzonder mensch, in welker lotgevallen het geluk of ongeluk van bijzondere perfonen is opgeiloten. Hij, die de vormer, de bewaarer en befchermer is van alle openbare maatfchappijën , zal zeker een veel bijzonderer aanmerking nemen op die volken, die hij naar zijnen naam genoemd en tot zijn volk uitverkoren heeft. — Voorzeker de zoodanigen neemt hij in zijne tedere hoede!

De Israëliërs waren Gods eigen volk, en naar Zijnen naam genoemd. God maakte met ad ra ham een verbond, be» loovende hem en zijn zaad, zo ze voor Hem wandelden, alle tijdelijke en eeuwige zegeningen. Dit verbond vernieuwde hij met de Israëliërs op Sinai, en uit dien hoofde is hij hun God , hun koning, hun herder, hun vader; zij zijn zijne uitverkoornen, zijn welgevallen, zijn bijzonder volk en eigendom. Hij verblijdt zich over hen, en heeft een vermaak in hun wel te doen; maar zijne ingewanden rommelen, zijn hart is in hein omgekeerd, al zijn berouw is te famen ontlleken, wauneer hij door hun wangedrag genoodzaakt wordt, een ftreng vonnis over hen te vellen en daadelijk uit te voeren. Dit is de taal van God in de gewijde bladen,

als hij van zijn volk fpreekt En hier uit kunnen we op-

maaken, met welk eene oprechte genegenheid hij hen bemint en met welk eene tedere zorg hij hen gadeflaat. Gevoelt tik, mijne Landgenooten! wanneer gij de Eeuwige, de Onafhangelijke, de Vrijmagtige omtrent zijn eigen fchepfélen, die hij tot zijn volk gemaakt heeft, hoort uitboezemen : och dat zij zulk een harte hadden, om mij te vreezen, en alle mijne geboden ten allen dage te onderhouden : op dat het hun en hunne kinderen welginge in eeuwigheid, (?) —

Dit

C) Deut. V: 39.

Sluiten