Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onver der flikken Gods was overal, behalven in het jood>t lcbe land, veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verder/lijk mensen, en van gevogelte, en van vier* voetige en kruipende gedierten. De wereld, welke de Alma°"tige voor zich zeiven fchiep, icheen in eenen tempel van afgoden verkeerd te zijn. Zelfs voor ondeugden en driften" hadt men altaaren opgerigt; en het geen men Godsdienst noemde, was in de daad eene leer van onreinheid. In het midden van deze algemeene duifterms had de Satan zijnen troon gevestigd, en geleerde en be. fchaafde, zoo wel als barbaarfche natiën , boogen zich voor hem neder. Doch in het uur van christus verlchijning op het kruis, wierdt het fein van zijne nederlaag gegeven. Zijn koningrijk week fchielijk van hem en de fcepter der Afgoderij werd verbroken. Men zag hem, als een blikfem, uit den hemelvallen. In dat uur fchuddeden de grondflagen der Heidenfche tempelen. De beelden der valfche Goden wankelden op hunnen voetlteun. De Priester vluchte uit zijn vallend heiligdom, en de Heidenfche Godfpraken verftomden, voor altoos. — Gelijk christus aan het kruis over den Satan zegenvierde, zoo overwon hij ook haar, die den Satan hulpe bood, —

de wereld. Lang had zij hem aangevallen , door

haar verzoekingen en mismoedigingen. — Nu, nu kwam hij ze allen tc boven. Nu \s, de wereld met hem gekrutst. Door zijn lijden en dood veredelde hij de wederwaardigheden, en hij verduisterde den glansch ,van den praaien de ijdelheid des leevens. Zoo ontdekte hij kort te vooren zijnen navolgeren het pad, dat door vetdrukkingeu leidt tot overwinning en heerlijkheid , en hij deelde hun den.zelven Geest mede, die hem in (laat Helde om te overwinnen. Mijn Koningrijk is niet van deze wereld, In de wereld- zult gij verdrukking htbben , maar hebt

goeden moed, ik heb de wereld overwonnen. (*) De

dood insgelijks, de laatlle vijand van den mensch, was het ilagtofter van den llervenden jes us. De verfchnkkelijke gedaante van dat fpookfel bleef wel, maar zijn prikkel Werdt hem ontnomen. De fchuld was betaald en uit dien hoofde hadden nog dood, nog graf een ftrafoefeuend vermógen meer — maar moesten beiden den navolgereu van jesus tot heil verilrekken. Wanneer hij aan den boeu Vaardigen, die met hem gekruist werd, zeide: heden zult

gij

<-) JWt». XVI: 93.

Hh 5 . ■

Sluiten