Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ö E

GODSDIIISTYRIEND»

SV'. 34.

ïndien gij met uwen mond zult belijden den Heere jesus, en met uw harte gelooven , dat hem God uit den dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden.

rom. X: 9.

DE STERVENDE GRIJSAARD , BIJZONDER WERKZAAM MET DE OPSTANDING VAN CHRISTUS.

Mijn vroome Landman, \ve1ken ik mijne Lezeren iri No. 23, en 25 leerde kennen, is geftorven. Al zingende is hij naar den hemel vertrokken. Nooit vergeet ik die uuren; 't was of mijne ziel zich van 't ftof ontrukte

'en met hem ten hemel vloog. Zijne laatfte redenen

wil ik der vergetelheid ontrukken , des deel ik u , mijn geëerde Lezers! dezelve getrouwlijk mede, ten einde gij de kracht van onzen Godsdienst, en vooral van de opftanding van jesus christus, waar van we onlangs gedachtenis vierden, meer moogt leeren kennen, om nog daar mede ter uwer vertroosting op uwe fterfbedden werkzaam te zijn.

Op eenen helderen middag wandelde ik naar mijnen Landman. De voordeur was open, ik trad binnen, kwam aan zijn vertrek en daar, daar hoorde ik den ouden man lustig zingen:

Ik ben uw lid, gij zijt mijn hoofd:

Noch engel, dood noch leeven , Niets dat mij ooit mijn Heiland rooft:

Gij hebt me uw woord gegeven! Al fterf ik nu, ik ilerf den Heer, Gij zelfs hebt mij het leeven weêr,

Door uwen dood verworven.

LI Om

Sluiten