Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zeeg weder zachtkens neder, en fliiimerde met tusfchenpoozen. Nu breide hij zijne armen uit met een lachend aangezicht en riep: Kom ... Heere ... je.süs ... kom ... haastlijk! — ik hoor

ik. Wat hoort ge?

hij. Zij zingen: jesus leeft en gij zult leeven!

Hier op floot hij zijne oogen — drukte mijn hand, e» gaf zijn geest weder in de handen van dien God en Vader, die hem denzelven gegeven hadde.

Leeveuszatte grijsaards! ademende graffteden! halfdooden boven de dooden! — uwe kaale bafteeuwde kruinen vertóonen u uwe kerkhofsblpemen. 't Is, of gij met uwe fchuddeude hoofden , op uwe drievoeten trillende,en ftumpelende voordkruipende, al ftaarende uit uwe donkere oogen, fchijnt te zoeken naar eene rustplaats; om den langen, den ijzeren doodlhap te flaapeh. Dan elaas! 'er zijn onder u, die zeventig of tachtig iaar tellen, en van geen fierven hooren willen. Zij verzuffen in enkele ijaelheden, en hunne uitzichten groenen , fchoon hunne fchedels grijzen. Gelijk ontflelde uurwerken, wier klok en wijzer elkander tegenfpreken, flaat de dwaasheid zes terwijl de natuur op twaalf wijst. De dagen, die gij in de ruifchende genoegens en hen geraas der vrolijke wereld hebt doorgebragt, zijn voorbij. Het denkbeeld van tachtig jaaren geleefd, tachtig jaaren God beledigd te hebben en op den oever der eeuwigheid onverzoend, vol vrees voorden dood te ftaan; dac denkbeeld!

moet een hart, hoe verfteend, doorpriemen weekmaa-

ken. Welk een onmeetbaar verfchil tusfehen u en den bovengenoemden Grijsaard! Mogt dat voorbeeld uwe zielen treffen! — Komt beevende Ouden! gaat aanftonds, zoo als gij zijt, naar curistus, naar christus! die geen ouda zondaars uitfloot, toen hij openlijk betuigde: Al wat mij de Vader igeeft, zal tot mij komen: en die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen (*). Doet het dan ijlings. Misfchien is dit uwe laatfte roepflem. 'Er is nog maar een

kleine fpan tusfehen u en de eeuwigheid! De tijd vliegt

uw doodklok roept — de hel dreigt — de hemel nodigt — de dood nadert-» alles is in beweging, om u van den oever des verderfs te rukken. — Gij vermaakt u in uwe kindkiuderkens, die vleiende langs uwe waggelende knieën dartelen; zoudt ge 'er dan niet gaarne mede eeuwig gelukkig willen leeven? — Als u dat kan bewegen, dan bid ik u, bij het bloed uwer kinderen en kindskinderen — dat nog

fttr-

, •<*) Jtün. VI: 3?. • "

Sluiten