Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ö É

ÓODSDIENSTVRiENDV

3\r°. 3?.

(Vervolj van No. 38.) Gij zijt opgevaren in de hoogte.

Psalm LXVIII: 19.

JESUS HEMELVAARD.

Nauwlijks hadt de Heiland zijnen lievelingen dit laatst vaarwel gezegd — of 'er daalt eene wolk neder << «i verbaazende vertooning! (*) de wolk rijst en met dezelve vertrekken jrcsus en de opgewekte Heiligen. — Hoe Iratig" rijst de wolk omhoog! — Hoe lieflijk klinken de tooneti van engden en Heiligen, die hem verzeilen! — God vaaré óp met gejuich, dé Heer met geklank der bazuinen: Halle^ jujah! —— Zon — Maan en Starren wijken voör haar* Scheppers wielen.

Hij, die in Bethlems lage ftal

Zoo armlijk wierdt ontfangen, Stijgt nu, ten toon van 't groot Heelal 5 Geloofd van Englenzangen.

Mijn jesus nadert dehemelltad! —'— engelen eifnetligen verbenen al naderende hunne toonen —— Hoe juiK chen ze!

Heft uwe hoefden op, gij Poorten ! en verheft u gij eem dieren ! op dat de koning der eeren inga.

Wie is de koning der eeren ?

De Heere fterk en geweldig; de Heere geweldig in den flrij/.

Heft uwe hoofden op, gij Poorten t ja, heft op, gij ie*wiee deuren.' op dat de koning der eeren inga.

6 Wiè

O Men moet zich erbarmen over de bijgeloovig'e tijden', Wïar in men deze hemelvaard van christus verbeelde, door een beeld- vait «ii rist at van beneden te hijsfehen naar de hooglte tempel - bat ten, én een brandend beeld van den Duivel naar beneden te werden, om Satans val, als van eenen blikfem uit den hemel, dase

rr te vertegenwoordigen. Zie hospiaS^s 4» fétt, &r**• Eu* xio,

Sluiten