Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C i*a)

j, der, en zal u tot mij nemen, op dat gij ook zijn moogt} „ waar ik ben."— „ Waar ik ben, daar zal ook mijn die" 9, naar zijn." — Dus is jesus hemelvaard een vaste grond voor onze verwachting, dat wij ook eenmaal zullen ten hemel Varen, om eeuwig te zijn, waar hij is.

Misfchien denkt 'er één mijner Lezeren: „ Och of mijn „ hemelvaard nog dezen dag begon!" — Dan matig uw Verlangen. Misfchien trekt u het een en ander nog naar beneden. Uw kroost begeert u, elk jonasken houd u vast. Het vaderland of de kerk heeft u nodig. Ellendigenen nooddruftigen kunnen u nog niet ontbeeren: Gij kunt ook nog hier pligten verrichten, die in den hemel niet meer geoefend worden. — Nogthans moogt gij, met onderwerping, de eigenaardige gevoelens uws harten volgen, om, zonder vreze des doods, te verlangen naar uw Vaderland, om eeuwig bij jesus te zijn. Verwelkom zijne toenadering, om u-, volgends uwe eigene begeerte, tot zich te nemen, en aan u deze zijne woorden te vervullen, waarin uwe ziel zoo dikwerf, met een' hemelfchen vrede en innig vermaak, berust heeft: „ Vaj, der, ik wil dat daar ik ben, ook die bij mij zijn, die gij mij gegeven hebt, op dat ze mijne heerlijkheid mogen „ aanfchouwen, die gij mij gegeven hebt." (*)

Dat we dan op alle onze wegen, in alle onze gevallen, mogen denken: Je jus leeft, hij wacht ons! — Haast zullen we ook ten hemel varen — nog weinige jaaren — of maanden — of dagen — of uuren I... hoe zalig zal het daar zijn! — daar zal geen vervolgzieke heerschziicht den Schepter

Zwaaien daar zullen we van geen partij - naamen wéten

■■ daar zal de vroome bedelaar boven den wellustigen

trotsaard verheven worden daar zal men getrouwe

Godsknegten, door de godloosfte booswichten, niet benauwen Neen waar jesus heerscht, daar is geen

dwingelandij — daar zijn alleen deugdzamen de Vereerers,

't zijn alle vrije burgers 't is hier alles hemel! —-

wat zou ons dan verfchrikken? in de fnerpendfie

vervolging juiche dan hier de christen:

Kittelt u, mijn Landgenooten!

Kittelt u in al mijn leed, Wilt mijn rampen vrij vergrooten.

Maakt den kerker zelfs gereed: Ik zal, vrij van folteringen, Dra het eeuwig vrijlied zingen.

CO foiit. XVII: 34.

Sluiten