Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 317 )

we Godsrijk moest bevoorderd worden , fprak het verwonderlijk taai-vermogen allerfterkst, en bragt zijn eigen blijkbaarheid van zelve met zich, in aller tegenwoordigheid. Het was eecn werking van de kunst, welke zich behendig weet ta verbenren, gelijk bet oud en hedendaagsch bijgeloof veele gewaande wonderwerken voor waaren aannam : maar elfa hoorde klaar en duidelijk zijn eigen taal, ja de zwaarfte, vaardig fpreken. (*)

£n wat al andere gaven wierden 'er thands door Sions opgevaren eerekoning uitgedeeld! hoe veel wijsheid, kennis en verftand, ernst, ijver, vrijmoedigheid, zeggens- kracht, en vaardigheid met mond en pen, heldenmoed, ftandvastigheid, geduld, verdraagzaamheid , hoe groote prophette- apologie- en charakter-kunde, midsgaders de gave der wonderwerken, die hen nu nooit, als voorheen, verlegen het, en

^Hoe^veel en hoe groot wierden ook hunne zaligmaakende genaden! Hun geloofslicht eu kracht, hunne hoop, hunne liefde, zelfs omtrent hunne vijanden, hunne vreugd en genoegen in God, hunne gemeeufchap met christus, hun toefan* in 't gebed, al hunne godzaligheid! Waar zag mea bijna,"nu voordaan, hunne voorige driften en gebreken, wraakzugt, nijd, ijdele eergierigheid, twist, allerlei vreemd vuur? waar zoo veel voorig ongeloof en zelivertrouwen ? terwijl ook hunne vooroordeelen en wanbegrippen allengs ver-

dWZij"?ïngen de meeste oude geloovigen ver te boven, en overtroffen zich zeiven — En wie waren zij? Galileeru •Alles wierdt ook des te grooter, wegens de groote doeleinden, die 'er door beoogd en daadlijk bereikt wierden, zoo terftond als in 't vervolg. Hoe veel opmerking, hoe veel indruk, hoe veel nadenken, hoe groote verbaasdheid, ontikmden'er in een oogenblik onder de t'faamgevloeide meeste van het diep bevooroordeelde Jodendom, zoo era iet fiods wonderen zag en hoorde! welk een aantal van Joden en Jodengenooten wierdt 'er ten zelfden dage en naderhand gewonnen en toegebragt! — Het Euangeli van den gekrutsten christus was den Jood eene nog verfche ergernis,den Griek eene dwaasheid; en wie van de zijnen was daartegen beftandV maar Gods almagt begon dien hemelhoogen berg van Honden aan te flechten. — Hoe groot en gedugt was^de

(*) ziè deze bewijzen btecder uitgereikt bij sauR>n, to* ******* Rr3

Sluiten